Mentor voor elke jongere

Elke jongere heeft op TANA een mentor. Zij is ook vaak de trainer waardoor zij veel contact heeft met de jongere. Er bestaan meerdere mentoren tijdens de pre-vocational fase. De jongere kan specifiek bij haar terecht voor allerlei vragen of problemen die hij ervaart. In de beroepsfase wordt de begeleiding overgenomen door een stagebegeleidster.

De begeleiding speelt een prominente rol in het werken op TANA. Zij is een must om te werken aan de werkhouding en het gedrag van de cursisten. Tijdens de begeleiding wordt zichtbaar of kennis en aangeleerde vaardigheden geïnternaliseerd zijn. Bovendien zie je of de jongere deze ook in een praktijksituatie toepast.

Gedurende de begeleiding is veel aandacht voor de thuissituatie en de eventuele tegenslagen. Daarnaast is veel aandacht voor de beroepshouding. De attitude is van doorslaggevend belang voor het succesvol funtioneren in de maatschappij.

We richten ons op het product (kan de cursist iets voldoende maken, repareren, presteren) en op het proces (hoe is de houding en het gedrag met anderen op de werkvloer).

De vragen vanuit TANA komen terug in deze vorm:

  • Wie ben ik? (psycho-dynamisch inzcht, zelfkennis en vertrouwen)
  • Wat kan ik? (inzicht in competenties)
  • Wat wil ik? (motivatie, werkhouding, keuzes maken)

De begeleiding vindt plaats aan de hand van een taakvaardigheidsmodel. Om een beroep uit te oefenen moet een cursist competent zijn en de bijbehorende taken op een adequate en juiste manier uitvoeren.

In de begeleiding zijn er vijf gebieden die centraal staan wanneer we praten over beroepsvaardigheden en attitude.

Deze gebieden zijn:

  • de dagelijkse verzorging
  • het oefenen en uitvoeren van taken op het werk
  • omgaan met anderen op het werk
  • planning van het werk
  • werkattitude (b.v omgaan met gezag)

In de begeleiding gaat TANA er van uit dat de cursist zeker na de pre-vocational fase, inziet dat hij zijn gedrag kan beïnvloeden  Een cursist bepaalt in grote mate zijn eigen gedrag. Een willekeurige gebeurtenis leidt tot een keuze (gedrag), hetgeen een consequentie (gevolg) heeft.

Ik ontmoet Sergio in een winkel en maak een praatje met hem. Hij vertelt me dat hij in de laatste klas van de LTS was maar niet meer naar school gaat. Er waren twee groepen op school. Ze zochten ruzie met elkaar en schelden elkaar uit. Er breekt een vechtpartij uit waar Sergio ook bij betrokken was. Het schoolhoofd heeft hem afgeschreven van de school

Ik ontmoet Sergio in een winkel en maak een praatje met hem. Hij vertelt me dat zijn situatie op school niet gemakkelijk is. Er zijn rivaliserende groepen die het leren op school onmogelijk maken. Jongeren schelden elkaar uit, en er vinden vechtpartijen plaats. Sergio bespreekt het onderwerp met het schoolhoofd. Het schoolhoofd besluit om in de klas te observeren.

De gebeurtenis blijft bij beiden casus identiek, alleen het gedrag van Sergio en de consequentie verschilt. Wij noemen dit model het G-G-G model, ofwel Gebeurtenis, Gedrag en Gevolg. We moeten rekening houden met het gevoel. Gevoelens van jongeren spelen een belangrijke rol in hun gedrag en het maken van keuzes.

Op de stage

Stagelopen blijft altijd een spannend moment. Je trekt het “veld” in en docenten laten je los. Niet helemaal los, omdat er stagebegeleidsters zijn die wekelijks op bezoek komen. De begeleiding tijdens de stage is heel belangrijk voor het resultaat.

Een stagiaire vertelt tijdens een stagegesprek dat collega’s niet met haar wilden praten. Ze begreep er niets van. Leter bleek dat zij als enige van de peuterschool in de tuin een uur aan het pauzeren was. Dat gaf onrust en ongelijkheid. Men was dit niet gewend.

In plaats van anderen te beschuldigen en zich af te zetten, wordt de stagiaire een spiegel voorgehouden van haar eigen gedrag. Kijken naar eigen gedrag en gevolgen om jezelf op te bouwen (zelfobservatie).

Een ander belangrijk aspect is zelfevaluatie.

Judith blijft elke avond laat op waardoor zij regelmatig verzuimt op de creche. De stagebegeleidster bespreekt met Judith de oorzaken van het verzuim en de gevolgen voor haarzelf, de kinderen en de creche. Door te kijken of de cursist zich aan de regels kan houden leert zij zichzelf aansturen.

Een deel van de cursisten stelt praktijkopdrachten uit of doet deze liever niet. Het komt voor dat negatieve gedachten de oorzaak zijn. Voorbeelden van deze gedachten zijn: ik kan het toch niet, niemand vindt me goed of het gaat nooit lukken. De cursist legt zich van te voren neer bij een mislukking omdat hij niet gelooft in een positieve uitkomst. De negatieve gedachten beinvloeden het gedrag waardoor het ook in de praktijk niet lukt; een self-fulfilling-prophecy. De begeleidster probeert de negatieve spiraal te keren door intensief met de cursist te spreken en hen de ruimte te geven om negatieve gedachten om te buigen in positieve gedachten.

Doorverwijzing naar instanties

Een cursist kan intensief probleemgedrag vertonen over een langere periode, waardoor gespecialiseerde hulp noodzakelijk wordt. Mishandeling of in het verleden ervaren seksueel misbruik vormen een barriere in de beroepsopleiding.

Stichting TANA verwijst met name door naar de volgende instanties:

Op het gebied van drugs en alcohol:

Ministerie van Volksgezondheid
Bureau Alcohol en Drugs (BAD)
Letitia Vriesdelaan
bad@sr.net

Op het gebied van seksueel misbruik:

Stichting Lobi
Fajalobistraat 16
info@lobi.sr

Stichting stop Geweld tegen Vrouwen
Verlengde Gemenelandseweg 18d
stopgeweld@sr.net

Literatuurlijst
Grotberg, E. A guide to promoting resilience in children: strengthening the human spirit. Den Haag: Bernard van Leer Foundation, 1995.

Sameroff, A.J & Chandler, M.J., Reproductive risk and the continuum of caretaking casualty. In: F.G. Horowitz (ED.), Review of child development research, Vol. 4. Chicago: University of Chicago Press, 1975.

Van den Berg, W.A. Mi no go doro na skoro; een kwalitatief onderzoek naar de sociale achtergronden, huidige situatie en toekomstperspectieven van voortijdige schoolverlaters. Paramaribo: 2001

Vanistendael, S. Streetchildren: Problems or persons. Geneve: BICE, 1992

Vuyk, R. Opgroeien in moeilijke gezinsomstandigheden. Leusden: De Tijdstroom, 2001.